Walnoten zijn geliefd vogelvoer en voor de kleinere vogels (en voor de kippen) maken we regelmatig een portie hapklaar. Omdat een notenkraker omslachtig werkt, tikten we ze stuk met een hamer.
Dat kan vlotter, dacht onze zoon en hij maakte een handmolen om de noten te kraken.
Die werkt geweldig: in de ruimste stand worden ze zo gekraakt dat ze voor eigen gebruik mooi intact blijven en voor de vogels kunnen ze in een fijnere stand worden gekraakt.
NB Walnoten als vogelvoer klinkt voor een doorsnee consument misschien wat decadent, maar als je zelf walnotenbomen op het erf hebt, is het een ander verhaal.
Walnoten vragen wel veel ruimte, maar daar geven ze ook véél voor terug. Qua snoei heb je er eigenlijk geen werk werk aan - je hoeft alleen maar de noten te rapen en voor de bewaarbaarheid na te drogen.
Posts tonen met het label eetbaar landschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label eetbaar landschap. Alle posts tonen
maandag 7 januari 2019
zaterdag 3 september 2011
Eetbaar landschap
![]() |
| Appelhof- de rode appels zijn Summerreds, onze favoriete zomerappel (3 september 2011) |
![]() |
| Moestuin achtererf; op achtergrond een Groninger Kroon (3 september 2011) |
![]() |
| Achtererf; hier ook appels op zwakgroeiende onderstam en wat perenrassen (3 september 2011) |
![]() |
| Tomaten onder afdakje in kweektuin; beschutting tegen regen is voor tomaten essentieel |
maandag 7 maart 2011
Hazelaar en Lambertsnoot
![]() |
| Bloei rode Lambertsnoot (foto 5 maart 2011) |
Hazelnoot (en ook de Lambertsnoot- die vrijwel identiek is, maar een iets grotere struik vormt) kan goed tegen schaduw. Dat wordt graag vermeld in catalogi, maar wat je er dan niet bij leest, is dat hazelnoot (en Lambertsnoot) alleen maar mannelijk bloeien wanneer ze in de schaduw staan. Géén vrouwelijke bloemen betekent géén noten.
Hazelaar draagt aan de éénjarige scheuten (nieuwe aangroei) aan goed groeiende en goed belichte takken. Wanneer er onvoldoende groei is (en een hazelaar in de schaduw groeit veel minder uitbundig) krijg je wel katjes aan de jonge scheutjes, maar géén vrouwelijke bloei. Noten komen (vrijwel) uitsluitend aan takken die zijn blootgesteld aan onbelemmerd zonlicht.
Bestuiving
Er zijn zelfbestuivende rassen (of zaailingen) maar over het algemeen is een bestuiver nodig, omdat de bloei van de katjes en de vrouwelijke bloemen vaak ongelijk verloopt, of omdat de bloem niet bevrucht raakt door eigen stuifmeel. Meestal worden hazelaars minimaal in groepjes van drie geplant. Ook bij zelfbestuivers is de opbrengst meestal beter bij kruisbestuiving.
Hazelaar & Lambertsnoot
De hazelaar (Corylus avellana) en de Lambertsnoot (Corylus maxima) worden gezien als afzonderlijke botanische soorten.
De Lambertsnoot vormt een wat grotere struik met iets grotere noten dan de wilde hazelnoot, maar die verschillen zijn vaak minder evident omdat de hazelnootcultivars doorgaans kruisingen zijn van beide soorten. De namen worden vaak verhaspeld: zo wordt de Rode Zellernoot (Corylus maxima 'purpurea') meestal aangeboden als hazelnootcultivar.
Wanneer het gaat om zuiver wilde exemplaren (die zijn zeldzaam omdat ook wilde populaties stuifmeel ontvangen van cultivars) zou de vrucht van de hazelnoot kleiner en smakelijker zijn dan die van de Lambertsnoot, maar zelf heb ik dat nooit vast kunnen stellen. In ieder geval smaken de Lambertsnoten hier prima en zeker niet minder dan die van de hazelaars op ons terrein.
Wel een belangrijk verschil tussen beide is, dat de hazelnoot bij rijpheid uit de huls valt en de Lamberstnoten met huls-en-al uit de boom tuimelen. De hulzen van de Lamberstnoot zijn langer en omklemmen de noot enigszins. Noten die in de huls blijven geven wat extra werk omdat je ze dan zelf uit de hulzen moet halen; het voordeel is dat je de noten op een wat ruigere ondergrond veel makkelijker kunt vinden.
Corylus avellana = hazelnoot; Engels 'cobnut' of 'common hazel'; Duits 'Waldhasel'
Corylus maxima = Lambertsnoot; Engels 'filbert'; Duits 'Grosse Hasel', 'Zellernuss' of 'Bluthasel' (rode Lambertsnoot)
In mijn photostream vind je een set foto's van de Rode Lambertsnoot in de verschillende seizoenkleuren >
http://www.flickr.com/photos/arie-van-herpen/sets/![]() |
| Uitsnede: boven de katjes zie je de vrouwelijke bloempjes (foto 5 maart 2011) |
![]() | ||||||||||||||||||||||
| Vrouwelijke bloei:de eigenlijke bloem is door schutbladen bedekt- alleen de stempels komen naar buiten (foto 18 maart 2010) |
![]() |
| Op de voorgrond een hazelaar -geplant in 1985- erachter zie je de Lambertsnoot die een paar jaar jonger is (foto 8 maart 2011) |
![]() |
| Pas geraapt: bij Rode Lambertsnoot valt de vrucht met hulsje-en-al (foto 21 september 2009) |
Rode Lambertsnoot (foto 9 november 2010)
donderdag 30 december 2010
Winterfruit, valfruit, vogels, bemesting
We oogsten wat we nodig hebben, de rest blijft onder de bomen liggen; voor de vogels en wat er verder van wil eten. Het late bewaarfruit blijft lang intact. Zomer- en herfstrassen zijn meestal binnen een maand verteerd. Zo dienen ze weer als meststof.
Ik kom nogal eens adviezen tegen om valfruit op te ruimen met oog op besmetting door schimmelziekten, maar dat lijkt me alleen relevant voor vruchtmummies door Monilia-rot. Die worden ook niet door vogels gegeten (!?) en blijven een bron van besmetting. Voor het overige lijkt het me een onzinadvies. Ik heb hier ondervonden dat rassen aangetast raken door schurft of meeldauw wanneer ze daar gevoelig voor zijn, en ook dat sterke rassen geen hinder lijken te ondervinden van besmettingsbronnen in de directe omgeving.
![]() |
| Granny Smith rijpt hier (in ons klimaat) eigenlijk niet af en blijft lang in de boom hangen, vaak tot in maart. |
's Winters trekt het fruit veel vogels zodat de bomen dan steeds bevolkt zijn met vooral merels en wat minder frequent kramsvogels en koperwieken. Al die vogels zouden een extra infectierisico betekenen. Ze hoppen immers door het aangevreten fruit op de grond en gaan daarna weer met hun scherpe nagels de boom in. Zover ik het kan beoordelen lijkt het me niet dat daaraan enig nadeel is toe te schrijven.
Overigens wordt het meeste fruit hier eigenlijk nooit bemest. De grond is vruchtbaar genoeg, en bovendien bemest een boom zichzelf met het (fijn-)stof dat door het blad wordt gevangen en door de regen de grond inspoelt.
Zolang fruitbomen goed in het blad zitten en voldoende dragen en groeien, is het volstrekt onnodig ze nog eens extra op te jagen met overbodige voedingsstoffen: dat maakt ze alleen maar week en bevattelijk. Ik bemest alleen wanneer dat nodig lijkt, en dan nog met mate.
![]() |
| Querina Florina blijft ook lang hangen, maar daarmee is het na een flinke vorstperiode wel gedaan. Het is een prima bewaarbare appel die pas na een paar maanden bewaring op smaak begint te komen. |
![]() |
| Detail valfruit: Querina Florina. |
maandag 27 december 2010
Hoogstamfruit: een kritische apologie
Als verklaard liefhebber van hoogstamfruitbomen (en van 'oude rassen') stoor ik me toch met enige regelmaat aan de eenzijdige propaganda. Er is dan sprake van een verheerlijking die zich heeft losgezongen van de realiteit. Hoogstammen worden vaak vereenzelvigd met het gezonde onbespoten fruit uit de tijd dat alles nog goed was: dat is een nostalgische opvatting. Nostalgie is maar al te vaak een verlangen naar iets dat nooit was. Laat ik het dus met waardering over hoogstammen hebben, maar zonder nostalgie.
Bovendien is er niets mis met kleinere fruitboompjes of -struiken op zwakker groeiende onderstam. Zwakgroeiende onderstammen worden nogal eens gememoreerd als een verwerpelijk verschijnsel van de hedendaagse fruitteelt, maar dergelijke onderstammen zijn al bekend sinds de middeleeuwen. Wel relatief nieuw is de techniek van het virusvrij maken (een warmtebehandeling) waardoor er nu een ruim aanbod is in gezond uitgangsmateriaal.
![]() | |
| Hier drie piramidale St. Remy peren; deze zijn zo'n 25 jr. oud en maken deel uit van een rij hoogstammen langs het toegangspad. |
![]() |
| Peer Fertility op zaailing; dit boompje is een kleine 20 jr. Fertility draagt erg rijk (wat zou je anders verwachten met zo'n naam) en groeit maar matig. |
Mooi
Hoogstamfruitbomen (boomgaardjes) horen bij een cultuurlandschap. Ze geven cachet aan boerenerven en grotere tuinen. Wanneer je buiten woont, en voldoende ruimte hebt, horen hoogstamfruitbomen erbij. Ze zijn prachtig tijdens de bloei en als ze rijk zijn beladen met fruit is het schouwspel luxueus. Het vaak grillig gevormde vruchthout geeft fruitbomen een karakteristiek wintersilhouet.
Minder mooi
Maar het gaat ook nogal eens mis met hoogstamfruitbomen. Cultuurfruit vraagt nu eenmaal verzorging; het ene ras (veel) méér dan het andere. Wanneer die verzorging achterwege blijft komen er vroeg of laat problemen; die kunnen veelsoortig zijn, maar het resultaat is dan maar al te vaak een armoedig ogende boom. Een kwijnende vruchtboom biedt een mistroostige aanblik.
Mooie hoogstammen: appel en peer
Voor mooie gezonde hoogstammen kies je voor sterke (ziekte resistente) rassen die een evenredige groei hebben en met vruchthout dat niet te snel veroudert. Daar hoef je het minst aan te snoeien om het model er in te houden en de om vruchtbaarheid te bewaren.
De vorming van een luchtige kroon met ruim uit elkaar geplaatste gesteltakken (het geraamte) is de belangrijkste basisvoorwaarde om de boom, zonder al te veel onderhoud, gezond te houden.
Appel en (vooral) peer kunnen, wanneer ze een goede standplaats hebben, monumentale bomen vormen. Peren hebben meestal de neiging tot een piramidale boomvorm; de stam loopt dan door in één opgaande, regelmatig vertakte, harttak. Appels vormen doorgaans van nature een bolle kroon zonder de kenmerkende doorlopende harttak. Meestal vraagt de natuurlijke groeivorm (dat wat de boom zelf wil) de minste onderhoudssnoei.
Om een hoogstam qua hoogte werkbaar te houden, moet je kiezen voor een ras met een tamelijk 'vlakke' (= weinig steile) takaanzet en een 'open' kroon.
Pruim
Als hoogstam kent pruim zijn beperkingen. Pruimen zijn bewerkelijk: niet zozeer vanwege de snoei; maar vanwege de noodzakelijke vruchtdunning. Vrijwel alle gangbare rassen zijn overdreven vruchtbaar en wanneer je daar niet sterk op ingrijpt, zal er van alles misgaan; de belangrijkste problemen zijn dan takbreuk en Monilia-rot bij de vruchten. En ook wanneer je voldoende hebt gedund, zul je waarschijnlijk nog regelmatig de boom in moeten, om tijdig rotte (Monilia) vruchten te verwijderen.
Bij pruimen is de meest gebruikte onderstam (tot dusver) de St.Julien-A en op deze onderstam houden de meeste rassen een (min of meer handelbaar formaat. Voor sterker groeiende onderstammen zijn de meeste pruimenrassen in feite ongeschikt; dan kun je het beter houden bij kleinvruchtige rassen/typen (jampruimen) zoals Wichters.
![]() |
| Twee pruimen op St.Julien-A |
Geschikt of ongeschikt?
Hoogstammen hebben de potentie veel fruit te produceren; twee- á driehonderd kilo is voor een goed ontwikkelde hoogstam niets bijzonders. Kies daarom rassen die goed bewaarbaar zijn en die tegen een stootje kunnen, want de praktijk zal zijn dat je vaak valfruit raapt.
Kwetsbaar seizoenfruit zoals zomerappels of boterperen kun je maar beter op een zwakgroeiende onderstam telen en compact houden. Dan kun je op een klein oppervlak een leuke collectie smulfruit hebben om optimaal genietend de zomer door te komen.
Hoogstammen kies je voor het mooi, maar het is moeilijk om er economische argumenten voor te vinden. Hoogstammen vragen ook nogal wat geduld: niet alleen duurt het jaren voor je oogst van betekenis hebt; het duurt ook lang (decennia) voor een hoogstam het lullige-boompjes-stadium is gepasseerd. Fruit op zwakgroeiende onderstam daarentegen, draagt vaak al het jaar na aanplant en kan zich in een jaar of zes tot een bekoorlijk boompje ontwikkelen.
Abonneren op:
Posts (Atom)






















